Sluiten

Verplichte controle van huishoudelijke elektrische installaties

Veiligheid en opbouw van elektrische installaties - verplichtingen die levens redden.

Elektrische installaties zijn behoorlijk complex. Dat heeft alles te maken met veiligheid en betrouwbaarheid. De veiligheid is dan ook wettelijk geregeld. Waaraan moet je voldoen en welke veiligheidsmaatregelen zijn er?

Verplichte controle van huishoudelijke elektrische installaties

Van niet-dodelijke schokken (elektrisering) tot brand en elektrocutie. Elk jaar opnieuw gebeuren er ongevallen met elektrische installaties. Niet te verwonderen dus dat er een verplichte controle is, door een erkend keuringsorganisme. Tijdens zo’n controle kijkt een agent-bezoeker of kortweg een controleur na of jouw installatie voldoet aan de voorschriften van boek 1 van het AREI, het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties.

Wanneer is er een verplichte controle?

  • Voor de ingebruikname van een nieuwe installatie of bij een belangrijke wijziging of uitbreiding.
  • Als je de aansluiting op het distributienet wil verzwaren
  • Bij de verkoop van je huis of appartement wanneer de elektrische installatie ouder is dan 1 oktober 1981.
  • Periodiek om de 25 jaar

Als jouw installatie is goedgekeurd, ontvang je daarvan een verslag. Het keuringsorganisme houdt 5 jaar lang een kopie bij van het verslag. Zijn er problemen, dan moet je die eerst oplossen en jouw installatie opnieuw laten keuren. Reden genoeg dus om voor elektriciteitswerken altijd een beroep te doen op een vakman.

Meer informatie over de verplichte controle

“Wist je dat een elektrisch defect de oorzaak is van 1 op de 3 woningbranden?”

Opbouw van een elektrische Installatie

Propvolle tafelcontactdozen, apparaten die niet tijdig uitgeschakeld worden, ... Veilig omgaan met elektriciteit is vooral een kwestie van gezond verstand. Maar de techniek helpt. De volgende maatregelen waken over jouw veiligheid en die van je gezin.

Aarding

De aarding – in de volksmond ook “terre” genoemd – leidt een elektrische foutstroom af naar de grond en biedt alzo de mogelijkheid om een isolatiefout te detecteren door een differentieelstroominrichting. Aarden gebeurt door middel van een metalen geleider. Zonder aardverbinding vloeit er geen foutstroom naar de aarde en kan een isolatiefout niet gedetecteerd worden door een differentieelstroominrichting. Daardoor blijft die fout onopgemerkt bestaan en bestaat er een gevaarlijke situatie wanneer een  persoon dat toestel  aanraakt, mogelijk met dodelijke gevolgen. Een foutstroom ontstaat bijvoorbeeld als een beschadigde kabel in contact komt met de metalen behuizing(massa) van een wasmachine. 

In nieuwe gebouwen is voor de aarding een aardingslus op de bodem van de funderingssleuf verplicht. Voor bestaande gebouwen worden in de grond één of meerdere geleidende pinnen aangebracht. De metalen behuizingen of kortweg massa’s van de toestellen worden met geel-groene geleiders met deze aardingslus of pinnen verbonden 

De aarding maakt deel uit van de elektrische installatie. Alle metalen behuizingen of kortweg massa’s van de toestellen, stopcontacten, lichtpunten moeten hierop aangesloten worden via een geelgroene geleider. Hoofdleidingen van gas en water, van centrale verwarming en klimaatregeling, en metalen draagstructuren, moeten hierop aangesloten worden via hoofdequipotentiale verbindingen

Binnenkijken in de verdeelkast

Elektriciteit komt je huis binnen via de voedingskabel van de distributienetbeheerder, passeert via de kilowattuurmeter en wordt dan vanuit de verdeelkast via verschillende stroomkringen verdeeld over het huis. De verdeelkast bevat de volgende componenten:


• Onderbrekingsschakelaar of scheider in de meterkast: om de elektriciteit volledig uit te schakelen.
• Algemene differentieelstroominrichting: biedt bescherming tegen brand, elektrocutie en stroomverlies door defecte toestellen. Kan ook dienen om de elektriciteit volledig uit te schakelen.
• Bijkomende differentieelstroominrichting voor wasmachine, droogkast, vaatwasmachine en de badkamer
• Automatische schakelaars: beschermen de stroomkringen tegen overbelasting en kortsluiting. Elke stroomkring heeft zijn eigen automatische schakelaar.
• Overspanningsbeveiliging: niet verplicht maar interessant om je installatie en aangesloten toestellen te beveiligen tegen bijvoorbeeld onrechtstreekse blikseminslag.
• Andere componenten: onderdelen voor bijvoorbeeld huisautomatisering. Denk aan modules om de rolluiken en verlichting aan te sturen.
 

Differentieelstroominrichting

De differentieelstroominrichting of verliesstroomschakelaar of differentieel detecteert foutstromen die naar de aarde vloeien en onderbreekt het stroomcircuit om energieverlies te voorkomen en je te beschermen tegen brandgevaar en elektrocutie. De differentieelstroominrichting functioneert alleen als een  aarding aanwezig is.

Aan het begin van de elektrische installatie moet minimaal één differentieelstroominrichting geplaatst worden van maximaal 300 mA. Een bijkomende inrichting is nodig voor de badkamer en doucheruimte, de wasmachine, de droogkast en de vaatwasser.

Automatische schakelaars

In oudere elektrische installaties vind je nog zekeringen of – juister – smeltveiligheden. Bij kortsluiting of overbelasting brandt de smeltdraad in de smeltveiligheid door en wordt de stroomkring onderbroken om ontoelaatbare warmteontwikkeling in de kabels en bedrading te voorkomen.

Automatische schakelaars of automaten zijn een moderne variant van de smeltveiligheid. In tegenstelling tot die laatste kan je een automatische schakelaar opnieuw inschakelen nadat een probleem is opgetreden. Ga wel altijd eerst op zoek naar de oorzaak van het probleem en los het op alvorens opnieuw in te schakelen.

Voor elke kring is er een automaat:

  • Verlichtingskringen: > 16 A (minimale doorsnede geleiders = 1,5 mm2)
  • Kringen met contactdozen: > 20 A (minimale doorsnede geleiders = 2,5 mm2)

Elk (verplaatsbaar) toestel met vaste standplaats of elke (verplaatsbare) machine met vaste standplaats met een nominaal vermogen groter of gelijk aan 2600 W wordt afzonderlijk gevoed door een exclusief toegekende stroombaan. De wasmachine, de afwasmachine, de droogkast, het elektrisch fornuis, de elektrische kookplaat en de elektrische oven worden ook afzonderlijk gevoed door een exclusief toegekende stroombaan.  De doorsnede van de elektrische leidingen bestemd voor de voeding van deze elektrische toestellen of machines en de bijhorende automaat worden in functie van het vermogen van deze elektrische toestellen of machines gekozen.
 

Leidingen

De koperen doorsnede van de geleiders wordt bepaald in functie van het nominale vermogen met een minimum van 2,5 mm², behalve voor verlichtingskringen waar 1,5 mm² toegelaten is.. Het spreekt voor zich dat de bedrading voor een fornuis of een oven een grotere minimale doorsnede vraagt dan die van de verlichting.


Ook voor de manier van plaatsen van de leidingen zijn er regels. Ze bepalen waar en hoe je bepaalde soorten elektriciteitskabels mag gebruiken.

Kringen, schakelaars en stopcontacten

Per stroomkring mag je maximaal 8 enkel- of meervoudige stopcontacten installeren. Als er op diezelfde kring een lichtpunt is aangesloten, telt dat lichtpunt als één stopcontact. Alle stopcontacten moeten uitgerust zijn met een aangesloten penaarde.

In droge ruimten moeten stopcontacten op de wand minstens 15 cm boven de afgewerkte vloer zitten. In andere ruimten is dat 25 cm. Uitzondering zijn stopcontacten in plinten of speciale vloerstopcontacten. Geen regel maar wel een advies is de hoogte waarop je de schakelaars installeert: bij voorkeur tussen de 90 en 130 cm.

De volgende toestellen moeten gevoed worden met een aparte kring:

  • oven
  • fornuis
  • centrale verwarming 
  • wasmachine
  • vaatwasser
  • droogkast


Natte ruimten

Dat water en elektriciteit niet samengaan, weet iedereen. In badkamers en doucheruimtes zijn dan ook extra maatregelen nodig om het veilig te houden. Het AREI definieert hier vier volumes:

Volume 0 komt overeen met het volume binnen de badkuip of douchebak. Hier is alleen elektrisch materieel toegelaten dat werkt op een zeer lage veiligheidsspanning (ZLVS). Bij toestellen die werken op een ZLVS van maximaal 6 volt wisselspanning, is geen bescherming vereist. Toestellen die werken op een ZLVS van maximaal 12 volt wisselspanning zijn alleen toegelaten als ze beschermingsklasse IP X7 hebben (korte onderdompeling in water).

Volume 1 is het volume boven de badkuip of douchebak tot een hoogte van 225 cm. Ook hierbinnen is alleen elektrisch materieel toegestaan dat werkt op een zeer lage veiligheidsspanning. Apparaten die werken op een ZLVS van maximaal 12 volt wisselspanning, moeten minstens een beschermingsklasse IP X4 hebben (spatwaterdicht). Daarnaast zijn in dit volume ook op laagspanning gevoede toestellen voor de productie van sanitair warmwater toegelaten.

Volume 2 is het volume tot 60 cm buiten de badkuip of douchebak. Tot een hoogte van 225 cm mogen hier alleen bepaalde typen elektrische toestellen gebruikt worden, met minimaal beschermingsklasse IP X4. Voor toestellen met een voeding van maximaal 12 volt wisselspanning (ZLVS) wordt geen beschermingsklasse bepaald.

Volume 3 begint op 60 cm buiten de badkuip of douchebak en strekt zich uit over een lengte van 240 cm. Hierbinnen is divers elektrisch materieel toegelaten met een beschermingsklasse van minimaal IP X1 (druipwaterdicht).

Volume 1bis is het volume onder de badkuip. Hierin is enkel materieel voor de werking van de badkuip voor hydromassage met inbegrip van het voedingspunt toegelaten. De minimale beschermingsklasse is IP X4. Voor toestellen met een voeding van maximaal 12 volt wisselspanning (ZLVS) wordt geen beschermingsklasse bepaald.

In de badkamer of doucheruimte zijn bijkomende equipotentiale verbindingen verplicht die alle vreemde geleidende delen en massa’s van het elektrisch materieel in de volumes, met uitzondering van dat op zeer lage veiligheidsspanning, verbinden.